Back to Thermosynchronic views on :

Radiation heat.

Het is bekend dat veel, zoniet alle materialen warmer worden indien deze door breedspectraal (zon)licht worden beschenen.
Doffe zwarte stoffen hebben een groot absorberend vermogen, omdat ze door hun 'onzichtbaarheid' geen zichtbare straling reflecteren.
Alle stoffen echter zullen afhankelijk van hun individuële aard èn hun temperatuur een (duidelijke 'piek'-) straling uitzenden uit (o.a.) het infra- rode spectrum; bij bekende stoffen kan men daarbij op zeer grote afstand zelfs hun temperatuur afleiden.

Onafhankelijk van zijn -overige natuurkundige- aard echter bezit een 'ideaal zwart lichaam' bijzondere uniforme (warmte) stralingseigenschappen, welke o.a. in *Wien's law en de stralingswet van *Stefan en Boltzmann zijn beschreven waarbij :
de stralings intensiteit - de frequentie- van de piek emissie toeneemt bij temperatuursverhoging en
de totale uitstralingsenergie evenredig loopt met de 4de macht van de temperatuur(K) .

Ik zal binnen dit kader (de T.S.) hier iets dieper op in te gaan, want voornoemde stralingswetten tonen -zoals ook bij calorische effecten- een duidelijkere betrokkenheid bij het grensgebied van moleculen of moleculaire samenstelsels (de kleur hier) dan bij overige natuurkundige eigeschappen (bijvoorbeeld de moleculaire massa's) van de stoffen.

Ook wil ik hierbij opmerken dat, in tegenstelling met de 'explosieve' stralings- emissie toename bij temperatuursverhoging, de specifieke warmte's uiteindelijk (bij gassen) praktisch constant worden waarbij de warmtetoename liniair gaat lopen met de temperatuurstoename.

Hoewel bij voornoemde stralingswetten -i.v.m. de wiskundige koppeling- van temperatuursstraling gesproken wordt is het niet ondenkbeeldig dat deze emissiebron (volgens de T.S.) vanuit diepere electronensferen plaatsvindt en aldus niet direct gekoppeld is aan de 'thermosferische' temperatuur.
Het is nl. bekend dat er energie- maxima bestaan bij onderliggende electronenbanen; t.g.v. selectieve bestraling kunnen sommige electronen tijdelijk naar een hogere -daartoe geschikte- baan overspringen.
Terugvallend veroorzaakt dit laserlicht emissie.

De energieën van onderliggende electronenschillen worden als het ware ingekapseld, geïsoleerd of begrensd door een afschermende hoger gelegen schil.
Temperatuursstraling zou dus een ontsnappende reststraling kunnen zijn, waarbij straling uit dieper liggende sferen deels geabsorbeerd wordt door bovenliggende sferen.
De bijzonder 'explosieve' toename van temperatuursstraling bij temperatuursverhoging zou het gevolg kunnen zijn van het sterk verminderende absorberend vermogen van de hieropvolgende electronenschillen met als slot de buitenschil- electronen, welke t.g.v. hun toenemende afstand èn temperatuursverhoging (vibratie afname)steeds meer hoogfrequente straling doorlaten en/of eventueel (deels) zelf emiteren.
Naarmate vooral deze buitensfeer- electronen hun baan 'verhogen' zal welliswaar het absorptie-stralings 'volume' blijven toenemen, maar moet (volgens de T.S.) de straling wèl geleidelijk 'vervangen' worden door E.M. straling van een langere golflengte of lagere frequentie.

Vanuit de spectroscopy verwacht ik (voor zover dit inmiddels al niet bekend is) meer duidelijkheid met betrekking tot temperatuursstraling; ik bedoel hierbij meer over de aard hiervan met mogelijke (Fraunhofer-) absorptie lijnen t.g.v. de diverse specifieke en onderliggende electronensferen.

Hoewel de T.S. aan thermosferische koppeling eveneens temperatuursgelijkheid koppelt, moeten de warmteëffecten bij temperatuursstralings overdracht hiervan losgekoppeld worden.
Indien twee verschillende stabiele systemen,- géén gelijk 'gekleurde' lichamen zijnde- door een stralingsdoorlatend absoluut vacuum worden gescheiden, zal er als regel temperatuursverschil optreden.

Vanuit de conclusie uit voorgaande zullen zeer kleine 'opgeloste' Brown'se deeltjes, eventuëel met de direct aangrenzende vloeistof- of gasmoleculen, ook zonder directe bestraling ter 'zichtbaarheid', veelal een temperatuursverschil (beweging) behouden t.g.v. de slechte, verwaarloosbare of niet bestaande thermosferische warmteoverdracht tussen de vloeistof- of gasmoleculen onderling.

Ter vergelijking hierbij de verschillen in warmtegeleidings coëfficiënt in W.m-1.C-1 tussen:
koper :385
kwik : 8,4
water : 0,6
lucht : 0,02 en volgens Count Rumford voor een Torricelian vacuum:
ca. : 0,014 (55/80 . 0,02)

Tot slot hiervan wil ik nog kort een mogelijke parallel trekken met de algemene beschouwingen van licht als massa- dragende deeltjesstroom (fotonen) en als golfverschijnsel.
Veel golftheorieën vloeien voort uit optische observaties in laboratoria en onder atmosferische condities; ik heb bij diverse beschrijvingen geen aanwijzingen gevonden dat deze eveneens onder hoog- vacuum herhaald zijn en/of er hierbij eventuëel afwijkingen geconstateerd of uitgesloten zijn.
Daarnaast is het bekend, dat de lichtsnelheid in lucht ca. 91 km/sec lager ligt dan de universele lichtsnelheid in vacuum.
Volgens de T.S. is het nl. zeer aannemelijk, dat de fotonen- deeltjesstroom zèlf in lucht al een golfvormige baan beschrijft, wat vermoedelijk zelfs de lagere lichtsnelheid in lucht verklaren kan.
Eveneens 'voorspelde' ik bij mijn kosmische lichtsnelheids meter al, dat de vermoedelijke licht- (of relaxatie trillings-)mutatie reeds plaatsvindt bij het doorlopen van de dampkring, welke in wezen als lens beschouwd kan worden.

Gelijktijdig moet er bij kosmische spectraalanalyse's op de aarde rekening gehouden worden met spectrale absorptielijnen van aardse atmosferische gassen welke hier geen Doppler shift ondergaan.

Back to Thermosynchronic views on :